Signaleringsplan

Signaleringsplan:

Wat is een signaleringsplan:

Een signaleringsplan is een methode om samen met de deelnemer tot een optimale samenwerking te komen.

  • Als personeel zijnde leer je in te schatten hoe de deelnemer in zijn vel zit, en hoe je er voor kan zorgen dat de uitvoerende taak passend is voor het moment.
  • Als personeel zijnde, leer je wanneer jij als “tool” niet optimaal functioneert
  • Als deelnemer,  leer je hoe dat je ervoor kan zorgen dat je je emoties onder controle krijgt. En wat je kan doen om weer lekker in je vel te komen zitten.

Het doel van een signaleringsplan:

Het doel van het signaleringsplan is, het leren omgaan met eigen emoties en de emotie van de ander. En dit bespreekbaar te kunnen maken.

Het signaleringsplan waar wij mee gaan werken bestaat uit 5 fasen. Het start bij fase 0 en loopt op naar fase 4.

Fase 0 -> ontspannen

Fase 1 ->  angst voor controle verlies

Fase 2 -> controle verlies

Fase 3 -> acting out

Fase 4 -> evaluatie van acting out, terug naar Fase 0.

Beschrijving van de Fase’s:

In Fase 0 is iemand ontspannen, goede zin, open in gesprek, hoge draagkracht.

In Fase 1 heeft de deelnemer angst voor controle verlies. De persoon is  meer prikkelbaar, kan minder hebben. De persoon is sneller geïrriteerd. Maar heeft de mogelijkheid om zichzelf onder controle te houden. Op dit punt zal de persoon in kwestie zelf oplossingen zoeken om zijn spanning te ontladen. De persoon is zelf in staat zijn stemming terug te brengen naar fase 0

In Fase 2 heeft de deelnemer controle verlies. De deelnemer in kwestie is bang geen grip meer te hebben op zijn eigen emotie of op de situatie. Op dit moment is hij of zij nog aanspreekbaar, maar zal je in gesprek moeten om de situatie weer helder en overzichtelijk te maken. De deelnemer heeft zijn gedrag nog net in de hand, maar alleen met ondersteuning. Terug naar 0 kunnen ze niet zonder ondersteuning.

In Fase 3 heeft de deelnemer geen grip op de situatie. De deelnemer is niet meer aanspreekbaar, zijn hoofd zit vol en kan geen informatie meer bij. Visualiseer een trechter, die op het punt staat van overstroming.  Kans op verbale dan wel fysieke agressie is groot.

De enige manier om dit op te lossen is, informatie verminderen. Uit de situatie halen, en tot rust laten komen.

In Fase 4, ga je in gesprek om zo weer tot fase 0 en 1 te laten komen, vanaf hier kan de persoon het zelf weer.

Communicatie:

Het geheim in dit werk zit hem in de communicatie, in de maatschappij zijn we gewent om ons te richten op verbale communicatie. Het geheim van de communicatie zit hem in de non-verbale communicatie. In de dieren wereld bestaat een eigen taal, ieder dier communiceert op eigen manier.

Als je kijkt naar de stand van de ogen, oren,  staart en houding kan je heel veel leren. Non-verbale communicatie is ongeveer 80% van de complete communicatie.

Wanneer je geboren bent met een verstandelijke beperking, en je I.Q lager is als de gemiddelde medemens, betekend dit vaak dat de woordenschat en het begripsniveau lager ligt. Als je moeite hebt met het verwerken verbale communicatie, ga je over op non-verbaal.

(oogindruk, mimiek, stand van schouders, stand van de rug, schuinte van het hoofd, bewegende armen enz. enz.)

Dus aan ons als begeleiding, de taak om zo transparant mogelijk te zijn. Als je boos bent, is je houding ook zo. Als je vrolijk bent, is je houding ook zo.

Als je als deelnemer meer toegespitst bent op non-verbale communicatie, raak je in de war als de begeleiding met een glimlach zegt dat je boos bent.

Je bent niet transparant, dus onbetrouwbaar. Dit kan er voor zorgen dat iemand klimt in zijn signaleringsplan. Je voert dus de emoties van de deelnemer die moeite heeft met zijn hantering van zijn eigen emoties. Je hebt dan letterlijk de regie over het gedrag van de deelnemer.

Wanneer je moeite hebt met het verwerken van verbale communicatie. En dat de aan elkaar geplakte woorden die samen een betekenis hebben, niet altijd de duidelijke boodschap geven. Het erg verwarrend kan zijn wanneer er nog meer woorden aan toegevoegd worden. Neem een voor ons makkelijke boodschap->

“wil je voor mij boven een blauwe handdoek halen en deze op de badkamer neerleggen?”

Deze boodschap kan voor veel impact zorgen nl.

Wil je? -> ooh, ik moet iets

Voor mij? -> ooh, voor jou?

Een handdoek? -> ooh, das zon ding waar je je mee afdroogt?

Blauw? -> das een kleur?

Boven? -> hoe kom ik daar?

Halen? -> ooh, hij moet weer naar beneden?

En zo verder, veel opdrachten in 1 zin! Het lijkt makkelijk, maar denk maar eens na hoe vaak je zo iets van iemand verwacht van iemand die moeite heeft met het verwerken van verbale communicatie. Dan hebben we het nog niet over de non-verbale communicatie. Bewegen van de armen, wijzen, glimlach, iemand die langs loopt enzovoort.

De basis voor onze communicatie zou neutraal moeten zijn, maar wij zijn mensen en geen robots. Het is voor ons onmogelijk om alleen de verbale boodschap te vertellen. Zonder emoties, zonder non-verbale communicatie, zonder storende omgevingsfactoren, ingesteld op ieders zijn, en niveau van functioneren. Dat is een niet haalbare kaart, en buiten de boerderij is er ook nog een maatschappij waar niet anders gedacht of gecommuniceerd wordt zoals wij dat gewent zijn.

Wat wij wel kunnen doen, is ons aanpassen om een zo normaal mogelijke omgeving te creëren waar zij zich kunnen ontwikkelen en in alle veiligheid  fouten te mogen maken.

Hoe dan wel?:

Door ons bewust te zijn van ons als “tool”, kunnen wij de deelnemers veel meegeven.

Een aantal punten is van belang:

  • Behandel de deelnemers met respect, spreek ze hier ook op aan.
  • Luister goed naar wat ze zeggen, dingen die in jouw ogen geen belang hebben kunnen het wel zijn voor de deelnemers.
  • Heb geen oordeel, is alleen maar ballast, en weer iets waar ze rekening mee moeten houden
  • Neem de tijd, heb je die niet ->  dan creëer je die.
  • Zorg voor een rustige omgeving als je communiceert, dan kun je in alle rust de dingen bespreken en zorg je ervoor dat de boodschap goed overkomt
  • Jouw rust is hun rust, dit geldt ook voor onrust.

Het belang van het signaleringsplan op de boerderij.

Op de boerderij werken we volgens de methode van het “aapmanagement”.

Als herhaling de 5 regels van het aapmanagement:

  1. Omschrijf de aap: welke taak deel je uit, wat verwacht je als eindresultaat?
  • Bepaal de verzorger: wie moet de aap verzorgen, is de deelnemer in staat de aap te verzorgen?. Wat heeft de deelnemer nodig om de verzorging uit te voeren tot een goed resultaat?.
  • Bepaal je controle moment: De verzorging moet gecontroleerd worden, om te kijken of de aap de verzorging krijgt die de aap verdient.

Nooit een aap de deur uit, zonder dat je het controle moment hebt vast gesteld!!

  • Coach de verzorger: Zo nodig geef je tips om de verzorging te verbeteren, Controleer de afronding van de verzorging.
  • Dit is de afsluiting, is de aap goed verzorgd? Evalueer!

Het signaleringplan is een onderdeel van het aapmanagement, en in mijn optiek een hele belangrijke!. Door het signaleringsplan te gebruiken maken we optimaal gebruik van de kwaliteiten van jou als begeleider, en zorgen we ervoor dat de kwaliteiten van de deelnemer bovenop staan in het uitvoeren van de taak als deelnemer.

In stap 2 van het aapmanagement hebben we gezien, dat je gaat screenen welke taak (aap) het beste bij de deelnemer (verzorger) past.

Je gaat screenen of de deelnemer capabel genoeg is om de taak naar behoren uit te voeren.

  • Zo ja…..           doen
  • Zo niet….         Niet doen
  • Bij twijfel……   Wat heeft de deelnemer nodig om toch het resultaat te behalen?.

We merken heel vaak dat hier een twijfel in zit, en dat we verder moeten gaan denken om te onderzoeken of de deelnemer hier vaardigheden voor bezit. Of wat we kunnen doen om deze vaardigheden aan te leren. Hier zit onze uitdaging en onze winst! Winst voor ons, maar als eerste

winst voor de deelnemer.

Iedere deelnemer verdient de kans om vaardigheden aan te leren!

Let hier altijd op veiligheid aspecten (gevaarlijke apparatuur, kans op letsel, juiste gereedschap, begeleiding enz enz) Bij twijfel, graag overleg!

Het signaleringsplan gebruiken we in alle stappen van het aap management, maar de belangrijkste is hier in stap 2. Door bij aanvang van het uitdelen van de taak te kijken hoe het met de deelnemer gaat, kunnen we een hoop onmogelijkheden beperken.

Gekoppelde signaleringsplannen:

Jij als begeleider hebt een signaleringsplan, ook als deelnemer is er een signaleringsplan.

Er wordt als begeleider 2 dingen van je verwacht:

  1. Je bent in staat om te signaleren, in welke fase een deelnemer zit en hoe je deze terug kan brengen naar fase 0/1. (van fase 1 kan de deelnemer zelf naar fase 0)
  2. Je bent in staat om te kijken in welke fase jezelf zit, dit kan ervoor zorgen dat je de deelnemer niet laat klimmen in zijn eigen fases.

Als begeleider ben je in staat jou emoties te projecteren op de deelnemer, wat vaak kan betekenen dat deze klimt in zijn fases. Je bent letterlijk de rode lap op de stier.

Voorbeeld:

Als begeleider heb je een vervelend telefoontje gekregen op je werk. Je auto staat bij de garage, en de keuring kost je 600euro. Je raakt hiervan van slag, weet ff niet hoe dit op te lossen en bent er in je hoofd mee bezig (fase 2). Je loopt het kantoor uit en botst op een deelnemer die net ruzie heeft gehad met een mede deelnemer. De deelnemer is boos, verdrietig en weet zich geen raad (fase 2). Je bent er met je hoofd niet bij en je mist daarom de juiste inschatting in de stemming van de deelnemer. Je hebt het verhaal maar half gehoord, en geeft net het verkeerde antwoord. “let is op je eigen” is wat je tegen de deelnemer zegt. De deelnemer voelt zich niet serieus genomen, kan zijn verhaal niet kwijt. En ziet aan je mimiek dat je er nors en verdrietig uit ziet. Kortom nog meer emoties voor de deelnemer, die al geen raad wist met die van zichzelf. Op dat moment kun je wachten tot de persoon doorschiet naar fase 3.

Ander voorbeeld:

Sonja komt binnen, heeft een slechte bus rit gehad en gaat zitten aan tafel. Jan komt binnen en is het weekend bij zijn moeder geweest, is erg vermoeid. Sonja zit in fase 2 ondertussen, je hebt nog geen tijd gehad om Sonja terug te brengen naar fase 0/1. Jan zit in fase 2 en duwt de stoel van Sonja weg.

Sonja schiet van 2 naar 3, net zoals Jan omdat hij vindt dat hij niets gedaan heeft.

Nog een Voorbeeld

Saskia komt om half 10 naar de keuken, is verbaal erg druk. Wil haar schoenen laten strikken, breekt in tijdens een gesprek van begeleiding. Hierop wordt Saskia aangesproken. Saskia, ik heb je al heel vaak verteld dat je moet wachten, als we in gesprek zijn. Saskia reageert hierop met “het is hier altijd het zelfde”, “het lijkt het Thomashuis wel”, en loopt boos weg.

Saskia komt om half 10 naar de keuken, is verbaal erg druk. Wil haar schoenen laten strikken, breekt in tijdens een gesprek van begeleiding. Andere aanpak>

(b) Een goedemorgen Saskia, Hoe ist?

(S) Wil je mijn schoenen strikken?

(B) Natuurlijk wil ik dat Saskia, vind je het goed dat ik zo naar je toekom? Dan maak ik dit gesprek even af, neem jij even een kop koffie. Ben ik er in 10 minuten.

(S) is goed, zie ik je zo.

Na 10 min>

(b) kom maar eens op met die schoenen

(S) hi hi,

(B) weet je nog wat je moet doen als ik in gesprek ben?

(S) even wachten….

(b) hoe is je weekend geweest?

(S) ik ben…………………………………….

Op dat moment spreek je haar niet aan om haar methodes, je voert haar onvermogen niet. En het meest belangrijke> je behandeld haar met respect en neemt haar serieus door tijd voor haar te nemen.